Wat gebeurt er wanneer je een prentenboek openslaat zonder tekst? Volgens Peter de Vries ontstaat er dan iets bijzonders. Kinderen kijken, ontdekken, fantaseren en vertellen ieder op hun eigen manier.
Al ruim zeventien jaar werkt Peter de Vries als trainer en adviseur op het gebied van de ontwikkeling van het jonge kind. In een interview met Rezulto deelt hij hoe krachtig tekstloze prentenboeken kunnen zijn voor taalontwikkeling, leesplezier en betekenisvolle gesprekken.
“Een kind hoef je niet nieuwsgierig te maken naar de wereld. Die nieuwsgierigheid is er al.”
Kijken, ontdekken en vertellen
Tekstloze prentenboeken nodigen kinderen uit om zelf betekenis te geven aan wat ze zien. Wat gebeurt hier? Waarom kijkt iemand zo? Wat zou er hierna gebeuren?
Waar volwassenen vaak zoeken naar structuur of houvast, doen kinderen iets heel anders wanneer ze een tekstloos prentenboek openslaan.
“Kinderen hebben geen last van het ontbreken van tekst,” zegt Peter. “Ze stappen meteen in het verhaal.”
Juist daarin zit de kracht: er ontstaat ruimte voor eigen interpretaties, spontane gesprekken en echte interactie tussen kind en professional. Tegelijkertijd stimuleren deze gesprekken om nieuwe woorden te gebruiken en betekenis te geven aan taal, waardoor tekstloze prentenboeken voor versterking en verbreding van woordenschat.
Inclusiever leren
Tekstloze prentenboeken dragen sterk bij aan de narratieve ontwikkeling van kinderen: het vermogen om verhalen te begrijpen, op te bouwen en te vertellen.
“Kinderen leren structuur aanbrengen in gebeurtenissen. Ze leren een verhaal met een begin en een einde maken, wat uiteindelijk ook helpt bij begrijpend lezen en schrijven.”
Daarnaast ontstaat er een inclusieve vorm van leren. Volgens Peter ligt een tekstloos prentenboek niet vast aan één taal, waardoor iedereen kan deelnemen aan hetzelfde verhaal ongeacht leeftijd, taalniveau of thuistaal. Tekstloze prenten kunnen overal ter wereld ‘gelezen’ worden. Er zijn geen taalbarrières en geen lettertekens nodig om mee te doen. Dat maakt deze boeken niet alleen inclusief, maar ook verbindend.
Vooral in meertalige groepen of bij kinderen van ouders die laaggeletterd of ongeletterd zijn, biedt dit kansen. Ook thuis kunnen ouders samen met hun kind “lezen”, zonder afhankelijk te zijn van geschreven tekst. Volgens Peter versterkt dat niet alleen de taalontwikkeling, maar ook de band tussen ouder en kind.
Hoe pas je het toe in de praktijk?
Volgens Peter draait het bij tekstloze prentenboeken niet alleen om het boek zelf, maar vooral om wat de professional doet.
“Bij tekstloze prentenboeken moet je echt in gesprek gaan met een kind. Je kunt niet terugvallen op de tekst of alleen je doelen volgen.”
Dat vraagt iets anders van leerkrachten en pedagogisch professionals. Niet sturen, maar samen onderzoeken. Volgens Peter ga je daardoor van een meerwetende partner naar een meer gelijkwaardige partner in het gesprek met een kind.
Juist daar ontstaan vaak de meest betekenisvolle momenten. Kinderen krijgen de ruimte om zichzelf te laten zien en kunnen verrassend openbloeien.
Morgen al aan de slag
Volgens Peter hoeven professionals niet te wachten op een compleet nieuw taalprogramma om met tekstloze prentenboeken aan de slag te gaan.
“Leg het boek neer en laat kinderen eerst zelf ontdekken. Maar onderzoek daarna ook samen.”
Hij adviseert om vooral in kleine groepjes of één-op-één te werken. Daar ontstaat de meeste ruimte voor interactie, verdieping en betekenisvolle gesprekken.
Deze boeken mogen niet ontbreken
Volgens Peter zouden deze tekstloze prentenboeken eigenlijk in iedere groep moeten staan:
0 – 7 jaar
- De gele ballon – Charlotte Dematons
- Waar is de taart? – Thé Tjong-Khing
7-12 jaar
- Mirror – Jeannie Baker
- This is not a book
Een breder venster op de wereld
Voor Peter gaan tekstloze prentenboeken uiteindelijk over veel meer dan taal alleen. Ze stimuleren leesplezier, nieuwsgierigheid, verbeeldingskracht en wereldoriëntatie.
“Je blik verruimt. Je leert verder kijken en verder denken.”
Omdat ieder kind iets anders ziet, ontstaan er ook steeds andere gesprekken. Volgens Peter kunnen beeldverhalen zelfs helpen om gevoelens of ervaringen bespreekbaar te maken, juist bij kinderen die het lastig vinden om zich uit te spreken.
En precies daarom zouden ze volgens Peter niet mogen ontbreken in de praktijk.
“Ze geven je als professional de kans om écht met een kind in verbinding te komen.”


